Overzicht van de belangrijkste titels en bestuursfuncties

Doorheen haar geschiedenis kent de UGent een veelheid aan academische titels en bestuursfuncties. Om dit kluwen te ontwarren lijst dit overzicht de belangrijkste functies op. Sommige functies bestaan reeds officieus vóór de wettelijke bepaling.

Elienne Langendries, Universiteitsarchief Gent


Professor (professeur)

Wet van 25 september 1816

Bij de oprichting van de Gentse universiteit worden geen voorwaarden bepaald om hoogleraar te worden. Er bestaat weliswaar een onderscheid tussen gewoon hoogleraar (professeur ordinaire), buitengewoon hoogleraar (professeur extraordinaire) en lector (lecteur).

  • Gewoon hoogleraren genieten een hogere jaarwedde dan buitengewoon hoogleraren, alsook meer financiële voordelen. Ze zijn lid van een faculteit en hebben als dusdanig ook recht op gedeelte van de bedragen gestort voor het behalen van een academische graad; alsook op een tiende deel van de ontvangsten van de rector voor het inschrijven van studenten en krijgen een vergoeding uitbetaald voor het vervullen van academische functies.
  • Buitengewoon hoogleraren en lectoren zijn verbonden aan een faculteit maar maken er geen deel van uit en hebben geen recht op bijkomende financiële voordelen zoals gewoon hoogleraren. Het cursusgeld voor gewoon en buitengewoon hoogleraren is gelijk, dat voor lectoren ligt lager.

Wet van 27 september 1835 en wet van 5 juli 1849

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen gewoon hoogleraar (professeur ordinaire), buitengewoon hoogleraar (professeur extraordinaire) en geaggregeerde (agrégé). De benoeming gebeurd door de koning. Niemand kan tot professor benoemd worden indien hij niet de graad van doctor of licentiaat bezit in die tak van het hoger onderwijs dat hij zal onderwijzen. Uitzondering kan gemaakt worden voor uiterst verdienstelijke personen.

  • Gewoon hoogleraren genieten een hogere wedde dan buitengewoon hoogleraren. De voorwaarden voor de titels worden niet bij wet vastgelegd.
  • Geaggregeerden mogen met toestemming van de regering repetities, nieuwe cursussen of aanvullingen geven bij reeds bestaande cursussen. Zij krijgen daarvoor geen wedde; enkel voor de cursussen worden zij vergoed zoals andere professoren. Geaggregeerden mogen wettelijk verhinderde professoren vervangen, maar niet langer dan vijftien dagen zonder toestemming van de regering.

Wet van 28 april 1953

De wet spreekt nu van onderwijzend personeel. Hiertoe behoren hoogleraren, buitengewoon hoogleraren, gewoon hoogleraren en docenten.

  • Hoogleraren zijn verbonden aan scholen, instituten van faculteiten of interfacultaire centra. Ze geven cursussen die bij wetten en besluiten worden gedoceerd.
  • Buitengewoon hoogleraren worden op voordracht van de raad van beheer benoemd. Hij is een docent die een andere bezoldigde activiteit uitoefent die een groot gedeelte van zijn tijd in beslag neemt, maar daarnaast ook sedert ten minste vier jaar en gedurende tenminste vijf uur per week (praktische oefeningen inbegrepen) onderricht heeft gegeven.
  • Gewoon hoogleraren zijn verbonden aan een faculteit. Ze worden benoemd op voordracht van de raad van beheer:
    1. Docenten die geen andere bezoldigde activiteit uitoefenen welk een groot gedeelte van hun tijd in beslag neemt en die sedert ten minste vier jaar gedurende minstens vijf uur per week (praktische oefeningen inbegrepen) onderricht hebben gegeven. Er wordt rekening gehouden met de wetenschappelijke waarde en de activiteiten van de kandidaat, het belang van zijn onderwijs en zijn anciënniteit.
    2. Uitzonderlijke kandidaten kunnen uit hoofde van verdiensten rechtsreeks tot gewoon hoogleraar benoemd worden.
  • Docenten zijn houder een diploma van doctor, apotheker, ingenieur of geaggregeerde voor het hoger onderwijs. Personen met buitengewone wetenschappelijke verdiensten komen in aanmerking voor een mogelijke vrijstelling van diploma. Voor de benoeming is een gemotiveerd advies van de faculteitsraad en de raad van beheer vereist.

Geassocieerd hoogleraar

Ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 14 december 1960

De geassocieerd hoogleraar wordt toegevoegd aan één of meerdere docenten, hoogleraars gewoon of buitengewoon hoogleraars. Hij wordt op voordracht van de raad van beheer en de betrokken faculteit benoemd. In aanmerking worden de wetenschappelijke waarde en de activiteiten van de kandidaat genomen, de kwaliteit van zijn medewerking bij de cursussen waaraan hij werd toegevoegd, evenals zijn anciënniteit. Hij moet minstens acht jaar geassocieerd docent zijn geweest. Bij uitzonderlijk verdienstelijke kandidaten kan deze termijn ingekort worden of afgeschaft.

Geassocieerd docent

Ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 14 december 1960

De geassocieerd docent wordt toegevoegd aan één of meerdere docenten, hoogleraars, gewoon of buitengewoon hoogleraars. Hij wordt benoemd door de raad van beheer en door de betrokken faculteit gehoord. Dezelfde benoemingscirteria gelden als deze voor docent, zoals vastgelegd in de wet van 28 april 1953. Bij decreet van 12 juni 1991 wordt de functie gelijkgesteld met hoofddocent.

Hoofddocent

Ingevoerd bij decreet van 12 juni 1990

De hoofddocent is lid van het zelfstandig academisch personeel (ZAP). Hij of zij heeft aanvankelijk de graad die wordt toegekend aan docenten en geassocieerde docenten.

Gastprofessor

Ingevoerd bij decreet van 12 juni 1991 met ingang van 1 oktober 1992

Het universiteitsbestuur kan contractueel en buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse professoren aanstellen voor een periode van maximum 5 jaar.

Lector (lecteur)

  1. Een persoon die niet behoort tot het professorenkorps, maar de machtiging krijgt door de Raad van Beheer om voor een beperkte tijd vrije cursussen te geven.
  2. Een persoon die een hoogleraar of docent voor ten minste een jaar heeft vervangen. Vanaf het tweede jaar en voor de duur van het mandaat verleent de minister van onderwijs hem de titel van lector.

Zelfstandig academisch personeel (ZAP)

Ingevoerd bij decreet van 12 juni 1991

Onder het zelfstandig academisch personeel bestaan de graden: docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar. Hun opdracht is het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, het verschaffen van academisch onderwijs in het vakgebied dat hun is toegewezen, en het verlenen van wetenschappelijke dienstverlening aan de gemeenschap. Niemand kan worden aangesteld of benoemd indien hij geen houder is van een diploma van doctor op proefschrift, of van een diploma of certificaat dat als gelijkwaardig wordt erkend.

Assistent

Ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 21 januari 1882

Assistenten kunnen benoemd worden aan rijksuniversiteiten in de faculteiten van de Wetenschappen en Geneeskunde. Zij hebben de opdracht de professor te helpen in het proefondervindelijk en experimenteel onderwijs, alsook bij laboratoriumonderzoekingen. De assistenten worden gekozen onder de doctoren, apothekers en ingenieurs die zich tijdens hun studies onderscheiden hebben, en maximaal drie jaar afgestudeerd zijn. Ze worden door de minister van onderwijs benoemd, op voorstel van de betrokken professor en op advies van de faculteit, de rector en de beheerder-inspecteur. De assistent wordt benoemd voor twee jaar en kan zijn mandaat twee maal verlengen. Aan de faculteit Geneeskunde kan het mandaat slechts één maal verlengd worden vanaf 1892.

Koninklijk Besluit van 23 juli 1929 (gewijzigd door KB van 1935)

Assistenten kunnen benoemd worden aan iedere faculteit van de rijksuniversiteit en de daaraan verbonden scholen of instituten.

Decreet van 12 juni 1991 met ingang van 1 oktober 1991.

Het assisterend academisch personeel (AAP) heeft de opdracht de leden van het zelfstandig academisch personeel (ZAP) bij te staan in hun taken (wetenschappelijk onderzoek, academisch onderwijs en wetenschappelijke dienstverlening). Het assisterend academisch personeel bestaat uit twee graden: assistent en doctor-assitent. Assitenten hebben de opdracht zich verder te bekwamen in de wetenschappen. De helft van hun werktijd mag besteed worden aan het verrichten van wetenschappelijk onderzoek of het volgen van academisch onderwijs ter voorbereiding van een doctoraatproefschrift. Doctor-assistenten kunnen onder de verantwoordelijkheid van het ZAP benevens hun wetenschappelijke activiteiten belast worden met het verstrekken van onderwijs. Niemand kan worden aangesteld tenzij hij doctor op proefschrift is of houder van een diploma dat als gelijkwaardig wordt erkend.

Beheerder-inspecteur (administrateur-inspecteur)

Ingevoerd bij wet van 27 september 1835. De functie bleef bestaan tot de wet van 28 april 1953.

Na de rector is de beheerder-inspecteur de eerste in rangorde bij openbare plechtigheden. Hij wordt door de koning benoemd, krijgt een vaste jaarwedde en moet in de universiteitsstad wonen. Als afgevaardigde van de regering heeft de beheerder-inspecteur een dubbele opdracht.

  1. Als inspecteur ziet hij toe op de uitvoering van de wetten en van de reglementen op het hoger onderwijs. In het bijzonder waakt hij erover dat lessen regelmatig gegeven worden en de programma’s zorgvuldig gevolgd worden.
  2. Als beheerder houdt hij toezicht op het behoud van de bibliotheek, de collecties en het materiaal van de universiteit. Hij ziet toe op het goed beheer van de gelden bestemd voor de materiële uitrusting en het dagelijks bestuur. In samenspraak met de plaatselijke autoriteiten zorgt hij voor het behoud en onderhoud van de gebouwen.

De beheerder-inspecteur is ook directeur van de Ecole du Génie Civil. Hij houdt de ministeriële diensten op hoogte van de werkzaamheden, vorderingen en mogelijke hervormingen. Samen met twee studie-inspecteurs is hij bevoegd voor het opstellen van de reglementen van het inwendig regime. Hij maakt ook deel uit van de in 1839 opgerichte Conseil de perfectionnement des Ecoles Spéciales, belast met de aanpassing van de programma’s voor de ingenieursopleiding.

Hoofdbibliothecaris (professeur-bibliothécaire)

Aan een hoofd van de bibliotheek staat in 1817 een professeur-bibliothécaire. De hoofdbibliothecaris is persoonlijk verantwoordelijk voor de voorwerpen die aan de bibliotheek toebehoren. Hij is belast met het klasseren en conserveren van de boeken en staat onder directe leiding van de beheerder-inspecteur. Vanaf 1875 behoort de functie tot het vast administratief personeel, vanaf 1912 tot het onderwijzend personeel, en vanaf 1929 tot het wetenschappelijk personeel. Bij Koninklijk Besluit van 1953 (gewijzigd door KB’s van 1965) is de hoofdbibliothecaris belast met het beheer, de bewaring en de ontwikkeling van de verzamelingen van boeken en handschriften die de raad van beheer aan hem toevertrouwd, in overeenkomst met de behoeften van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek. Hij wordt door de koning benoemd en moet ten minste de rang van werkleider, repetitor of conservator bereikt hebben. Vanaf 1965 behoort de hoofdbibliothecaris tot het leidinggevend personeel mits behoud van de bezoldigingsregeling van het wetenschappelijk personeel.

Kliniekhoofd (chef de clinique)

Ingevoerd bij Ministerieel Besluit van 31 januari 1838 Niemand kan kliniekhoofd worden indien hij niet twee semesters kliniekhelper is geweest. Zonder toestemming van de minister mag een mandaat niet langer dan twee jaar duren. Het neemt een einde bij het behalen van de doctorstitel. Het kliniekhoofd houdt tijdens de kliniekronde het register bij met de observaties; het hoofd van de heelkundige kliniek maakt de instrumenten klaar. Verder maakt hij binnen de drie dagen na een overlijden of het ontslag van de patiënt een samenvatting van de observaties en geeft hiervan lezing bij het begin van de autopsie of de aanvang van de les. Andere verplichtingen zijn hulp verlenen bij het aanbrengen van verbanden en verzorgen van wonden, beurtelingse wachtbeurten van 24u doen, en ervoor zorgen dat alle werken worden uitgevoerd indien er voldoende kliniekhelpers aanwezig zijn. Vanaf 1872 moeten kliniekhoofden afgestudeerde geneesheren zijn en kunnen maximaal twee jaar in dienst blijven. De functie raakt in onbruik na de creatie van de assistentfunctie.

Preparator (préparateur)

Ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 5 oktober 1875

De preparator behoort tot het administratief personeel. Hij staat de professor bij de voorbereiding van de voor zijn cursus noodzakelijke demonstraties en praktische oefeningen, alsmede bij het technisch gedeelte van de wetenschappelijke opzoekingen. De preparator brengt de nodige toestellen in gereedheid die dienen voor het onderzoekswerk van de studenten en wetenschappelijke medewerkers in laboratoria.

Repetitor (répétiteur)

De eerste repetitor wordt in 1836 benoemd aan de Ecole du Génie Civil. Zij frequenteren op geregelde basis de studiezaal en bieden ondersteuning bij hun specialiteit.

Bij Koninklijk Besluit van 31 oktober 1953 zijn de repetitoren verbonden aan de faculteit Wetenschappen (voorbereidende en speciale scholen). Ze hebben de opdracht de herhalingen en de gequoteerde ondervragingen over de onderwezen leerstof te houden en de praktische werkzaamheden en toepassingsoefeningen te houden. Zij kunnen eveneens belast worden met wetenschappelijk onderzoek in een seminarie of laboratorium. Repetitoren worden door de koning benoemd, op voordracht van de raad van beheer en op advies van de faculteit. Zij moeten een diploma hebben van doctor of ingenieur en zich door wetenschappelijke publicaties onderscheiden hebben. Ze worden benoemd voor een eerste termijn van twee jaar, nadien kunnen ze definitief benoemd worden op verslag van de raad van beheer en de betrokken faculteit. De kandidaten die gedurende vier jaar de functies van assistent, werkleider of conservator hebben uitgeoefend kunnen onmiddellijk vast benoemd worden.

Werkleider (chef de traveaux)

Ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 16 augustus 1892 en 18 mei 1897 (mogelijks sinds 1876)

Vanaf 1912 maken werkleiders deel uit van het administratief personeel en vanaf 1929 van het wetenschappelijk personeel.

Werkleiders worden toegevoegd aan de titularis van cursussen, teneinde hem bij te staan in de organisatie en het toezicht over het werk van de studenten. De werkleider wordt gekozen onder de doctors, apothekers of ingenieurs die zich hebben onderscheiden in hun studies. Zij worden door de koning benoemd, op advies van de titularis van de cursus, de faculteit, de rector en de beheerder-inspecteur. De werkleiders worden aangesteld voor twee jaar, waarna ze na gunstig advies definitief kunnen benoemd worden. Assistenten met vier jaar anciënniteit kunnen onmiddellijk tot werkleider aangesteld worden.


Hoe verwijs je naar deze pagina?

Langendries, Elienne. “Belangrijkste titels en bestuursfuncties aan de UGent”. UGentMemorialis. Laatst gewijzigd 11.08.2015.